2007-12-15

Joseph Guislain



Il faut que l'édifice consacré aux personnes atteintes de cette affection soit agréable à la vue, qu'il égaie l'esprit, qu'il agisse les coeurs, inspire le contentement et, s'il est possible, qu'il fasse naître chez le malade le sentiment de bonheur.

Geciteerd (p.23) door Patrick Allegaert in Ziek. Tussen lichaam en geest, het boek bij de gelijknamige tentoonstelling in het museum dr. Guislain, van 10 november 2007 tot 11 april 2008.

Middellandse Zee

.
Het boek roept bewondering op door zijn titel alleen al: De Middellandse Zee. Een geschiedenis. In zijn inleiding stelt John Julius Norwich zich nochtans bescheiden op. Hij vermeldt dat het boek er gekomen is op vraag van zijn uitgever en overloopt vervolgens de leemtes in zijn werk. Een echt levenswerk, wat je van een boek met deze titel zou kunnen verwachten, is het dus niet - hoewel het grootste deel van Norwich's werk voor uitgeverij of televisie wel degelijk met deze regio te maken heeft. We hoeven hier niet meteen te verwachten aan een opvolger voor Braudels magnum opus en ook niet aan een poging daartoe. Wel aan een fris geschreven verhaal dat begint in het oude Egypte en eindigt met het verdrag van Versailles.
Ik heb - op een avondje grasduinen na - het boek niet gelezen*. Maar als ik zo'n turf van 650 bladzijden narratieve geschiedenis in handen heb ben ik wel geneigd me af te vragen hoe het verhaal uiteindelijk afloopt en, als een geniepige thrillerconsument, even door te bladeren naar de allerlaatste pagina. En wat daar te lezen staat is echt gedenkwaardig.

Aan het begin van het derde millennium valt het steeds moeilijker te ontkennen dat de oude raison d'être van de Middellandse Zee voorgoed is verdwenen en dat de nieuwe bestaansreden vermaak is. Dat hoeft geen slechte ontwikkeling te zijn. Je zou kunnen zeggen dat de wateren die in het verleden al te vaak bloedrood kleurden met een dun laagje Ambre Solaire aanzienlijk beter af zijn. De gruwelen die hoorden bij het leven op zee in die langvervlogen dagen, worden maar al te graag vergeten. De dagen dat de ruggen van galeislaven met bloedende striemen waren overdekt, de dagen dat schepen werden getroffen door besmettelijke ziekten en werden gedwongen buitengaats te blijven tot er geen levende ziel meer aan boord was, de dagen dat een onverwachte zomerstorm gelijkstond met doodstraf voor de voltallige bemanning. Wat wel droef stemt, is dat de Middellandse Zee zijn waardigheid is verloren, zijn trots is kwijtgeraakt, dat een watermassa zwanger van historie een vanzelfsprekendheid is geworden, dat zijn blauwe wateren in toenemende mate vervuild zijn geraakt, dat zijn oevers schuilgaan onder zwerfvuil en oud plastic en daardoor vrijwel onbegaanbaar zijn geworden, en dat talloze andere stranden alleen maar openstaan voor 'vermaak' dankzij de duizenden schoonmakers die ze dag in dag uit schoonhouden.
En dat is misschien nog een reden dit boek hier af te sluiten. Rampen en tragedies zonder tal zijn erin opgetekend. De Middellandse Zee is bij toerbeurt als wieg en als graf, als bloedband en als bloedbad, als zegen en als vloek afgeschilderd. Hoe treurig is het de Middellandse Zee te zien vervallen tot een speeltuin, de oude havens te zien veranderen in marina's en waterscooters de plaats van driemasters te zien innemen. Dan maar liever het doek laten vallen op het moment dat het nog steeds de oude vertrouwde Middellandse Zee is, waarin elke golf een verhaal vertelt en elke druppel adel ademt.



*Iemand die dat blijkbaar wel gedaan heeft is een oudleraar geschiedenis van mij.

2007-11-26

Herreweghe - Mahler - Strauss

.
Brugge, Concertgebouw, zaterdag 20 oktober 2007: Philippe Herreweghe dirigeert het Orchestre des Champs-Elysées.

Het blijft altijd een aangenaam weerzien, de unieke, wat tegendraadse, gebarentaal waarmee Herreweghe zijn ensembles bespeelt. Het lijkt me inderdaad een taal, een code die tot ontcijferen uitnodigt, een - uiteraard - anticiperende commentaar op wat meteen zal klinken. Het is de eerste primitieve functie van een moderne dirigent in onze tijd om bepaalde tekenen te geven, visueel, zodanig dat de muzikanten die elkaar niet kunnen horen toch kunnen samenspelen - zo formuleert hij het in alle bescheidenheid, in de dvd-bijlage bij Retroperspective 2007.

Als ik de inleidende commentaar van Jan Christiaens goed begrijp, dan is Mahlers Vierde de eerste symfonie ter wereld die doet alsof ze een symfonie is. Als luistersleutel biedt dat wel iets; die onderhuidse ironie heeft tegelijk iets vrij intellectualistisch en hoort helemaal thuis in de twintigste eeuw. In de verte hoor je Shostakovitch al aankomen.

De kleurige orkestliederen van Richard Strauss, gezongen door Carolyn Sampson - een vaste waarde in het universum van Herreweghe - waren een goedgekozen aanloop op deze symfonie. Ik zou het woord 'orkestminiaturen' willen gebruiken, al klinkt het wat contradictorisch. Door een technisch mankement ontbrak de boventiteling, waardoor de tekstdimensie vrijwel volledig wegviel. Misschien zou mij, lezer van nature, het heerlijk subtiele harpspel anders ontgaan zijn, dat me nu sterk is bijgebleven.



2007-10-15

Epiek

.
In Epic as a genre* probeert Richard P. Martin epiek te definiëren en daarin iets bruikbaarders te zoeken dan de traditionele, op Aristoteles gebaseerde omschrijving in de zin van een lang gedicht in hexameters, gezongen al dan niet met muzikale begeleiding, met heroïsche personages die nu en dan retorische toespraken houden, met een zelfbewuste invocatie in het begin, met 'Homerische' vergelijkingen, typische scènes en motieven.
Door epiek niet strikt literair maar ruimer, functioneel-antropologisch te benaderen komt hij tot volgende, merkwaardige afbakening - en landt hij weer bij de onvermijdelijke Poëtica van Aristoteles:

Epic can be sung in almost every setting, bij professionals or amateurs. (...) The total 'epic' is in fact never performed unless elicited by an outsider, such as the folklorist. Yet even when it is brought forth, as usually, in shorter episodic form, the performance depends on an audience and performer's unspoken awareness of the totality of a story and its conceivable permutations. In potential size, epic is hugely ambitious, undertaking to articulate the most essential aspects of a culture, from its origin stories to its ideals of social behavior, social structure, relationship to the natural world and to the supernatural. The scope of epic is matched by its attitude: as Aristotle noted, it dwells on the serious.

Beschikt onze cultuur nog over zo'n epos?


* In John Miles FOLEY, ed., A Companion To Ancient Epic, Oxford 2005, pp.9-19. Ik citeer p.18.

2007-10-13

Muziek - Achmatova


.
Haar vonken zijn tot wonderen in staat,
Zij scherpt en slijpt terwijl je staat te kijken.
Zij is de enige die met mij praat
Wanneer de anderen mij bang ontwijken.
En toen de laatste vriend wegkeek van mij,
Week zij ook in mijn graf niet van mijn zijde
En als de eerste onweersbui zong zij,
Alsof de bloemen allemaal iets zeiden.

Anna Achmatova voor Dmitri Sjostakovitsj, 1957.


Gedichten van Achmatova in Nederlandse vertaling zijn, voor zover ik kan nagaan, momenteel niet in de handel. In de voorbije jaren hebben verschillende uitgeverijen en uitgeverijtjes zich gewaagd aan een kleine bloemlezing - boekjes die zelfs antiquarisch niet op te sporen zijn. Alleen de OB biedt hier soelaas. Gelukkig hebben ze bij Meulenhoff die leemte gemerkt en komt daar binnenkort verandering in. Ja, we leven echt in de mooiste der werelden.
Bovenstaande vertaling komt uit de enige ruime keuze die ik ken, verzameld en vertaald door Hans Boland - haar grote pleitbezorger hier bij ons - voor Meulenhoff in 1989, onder de titel Vlucht van de tijd. Gedichten en herinneringen. Door haar poëzie te larderen met autobiografisch proza maakt Boland er een prachtig portret van.


2007-10-08

Lelijkheid - Rondas

.
In zijn bespreking* van Umberto Eco's Geschiedenis van de lelijkheid beklaagt Jean-Pierre Rondas zich erover dat Eco in deze historische studie geen aandacht besteedt aan de actuele lelijkheid. En dat in niet mis te verstane bewoordingen - hij wordt er zowaar retorisch bij. Alsof ik heel even de lange adem van Peter Sloterdijk hoor.

Nooit eerder hebben groepen kapitaalkrachtige mensen zich zo ingespannen om het historisch mooie te vernietigen als in de twintigste eeuw, eerst door oorlog, nu door kapitalistische kaalslag in de logica van de 'creatieve destructie'. Nooit eerder heeft een cultuur zo'n opzettelijke lelijkheid voortgebracht als de veramerikaniseerde westerse cultuur. Nooit eerder volgden zovele vlagen van doelbewuste modieuze lelijkheid, zich welbewust van een impliciete norm van verwerpelijke schoonheid, elkaar op. Nooit eerder was zelfs de walg van dit lelijheidssysteem zelf vertaald in de nog lelijkere lelijkheidscodes van de massale en kilometerslange aanwezigheid van graffiti. Nooit eerder werden, onder de naam en het mom van muziek, zo'n afschuwelijke en repetitieve geluiden geproduceerd. Niet alleen de slaap van de rede heeft, naar het bijschrift bij een gravure van Goya, monsters gebaard; de opeenvolgende golven van industrialisering en postindustrialisering zouden zonder productie van telkens meer lelijkheid gewoonweg niet mogelijk zijn geweest.

*
in Muziek en Woord, oktober 2007, p.16-17.

2007-09-28

Rubens - een genie aan het werk

.
Mijn verhouding met Rubens is een beetje dubbel. Zonder zijn thematiek echt te smaken heb ik altijd graag naar zijn schilderijen gekeken. Zelfs een gruwelijke kindermoord is bij hem een feest van koloriet en compositie. Maar wie hangt er nu zoiets in de huiskamer?
Voldoende appreciatie en vragen dus om even in Brussel af te stappen voor wat aangekondigd werd als een toptentoonstelling.
De tentoonstelling oogt inderdaad onberispelijk. Het geheel is overzichtelijk gestructureerd in zes hoofdstukken - even samenvatten: imitatio/aemulatio, pathos, teamwork, de 'vertikale samenwerking' in het atelier, de altaarstukken en de grote projecten. Ook de opstelling laat niets te wensen over, afgezien misschien van de te kleine titelbordjes. De zaal met de grote altaarstukken is ronduit indrukwekkend. Op een bijzonder verzorgde wijze is uit alle windstreken een een selectie vergelijkingsmateriaal samengebracht die de rijke collectie Rubens van het KMSK laat spreken.

De tentoongestelde schetsen zijn echt wel schetsen. Waar tekeningen van een groot schilder vaak getuigen van puur tekenplezier, gaat het hier wel degelijk om strikt functioneel materiaal. Bijgaande 'crabbeling' uit Oslo toont de eerste ideeën voor een uitbeelding van de apostelen rond het lege graf van Maria. Later werd dit een altaarstuk van 4m hoog.


Vaak vond ik het aangenaam vertoeven bij zijn olieverfschetsen. Kleine, hanteerbare schilderijen, vaak gebruikt als modello bij een contract, waarin Rubens ietwat abstraherend over zijn onderwerp heen gaat. De Marteling van de heilige Ursula hieronder, uit het Ducale van Mantua, doet bijna modern, een tikkeltje expressionistisch aan in zijn schematisering van figuren en omgeving. Of kijk eens naar de Vier studies van een moor, uit Brussel. Ogenschijnlijk een stijloefening, maar wat een raffinement in compositie en uitvoering!


Als uitsmijter een andere Rubens. Op een bladzijde van een Album Amicorum voor een vriend tekent hij - volgens sommigen met de vrije hand - een cirkel, met een middelpunt. Meer niet. 'Medio deus omnia campo', voegt hij eraan toe: 'god alles in het midden van het veld' - zo vertaal je letterlijk. Geheimzinnig genoeg om een complete relithriller mee op te bouwen. Rubens is een buitengewoon kunstenaar, een begenadigd vakman, een succesvol ondernemer. Maar Rubens is duidelijk nog veel meer.






2007-09-01

Betoog (Bernard-Henri Lévy)

.
Duizelingwekkend Amerika (oorspronkelijk American Vertigo) is het relaas van een reis die maître-penseur Lévy in 2005 maakte door de USA, in opdracht van Atlantic Monthly. Het project herneemt als het ware de reis die zijn landgenoot en collega maître-penseur Alexis de Tocqueville maakte in de twintiger jaren van de negentiende eeuw en die uitmondde in De la démocratie en Amérique (1835).
Dat Bernard-Henri Lévy in het voetspoor van een negentiende-eeuwer schrijft is herkenbaar aan de inleiding, een wijdlopig betogende stijloefening. In vertaling (Ineke Mertens) geeft dit nog meer een bevreemdend effect. Ter illustratie onderstaande zin (!), waarin de auteur uiteenzet waarom hij de auto boven het vliegtuig prefereert, en waarin hij tegelijk de schim oproept van die andere grote Amerika-reiziger, Kérouac.

En als ik Kerouac noem (al had ik niet zo goed een aantal cineasten kunnen noemen, zoals Wenders of Hitchcock van Norh by Northwest of de film Easy Rider of Vanishing Point of ook nog, maar dan wat uitgebreider, Kramers film Route One/USA; ja, ik had ieder willekeurig voorbeeld van de roadmovies kunnen noemen, die veel meer dan Tocqueville mijn beeld van Amerika hebben gevormd; ik had ook de Thoreau van 'oude, slingerende, droge, verlaten wegen, die van de steden wegvoeren' kunnen aanhalen, of Whitman die 'te voet, met een licht hart, de open weg kiest', of zelfs Nabokov, die beweert dat de auto 'de enige plek is in Amerika zonder lawaai en zonder tocht' en dat hij daarom zo graag per automobiel reist), als ik dus Kerouac noem, als ik al onmiddellijk bij aankomst in bij voorbeeld San Francisco aan Kerouac moet denken, als On the Road van begin tot einde mijn onafscheidelijke en geheime reisgids was, dan komt dat omdat deze vorm van reizen - de tijd nemen om net als hij het gebied te doorkruisen over het netwerk van dubbele rijbanen, de geluks- en levenslijnen van het landschap, te versmelten met de voren van asfalt en in de woestijn van vuur, of de wegen te kiezen die in het begin het langst en onbestemdst lijken - een reeks voordelen biedt die voor een schrijver van doorslaggevend belang zijn.

Het boek zelf is zeer lezenswaard. Zijn meestal vrij korte observaties rond maatschappij en politiek zijn trefzeker, diepgaand, ver boven het journalistieke.

* Bernard-Henri Lévy, Duizelingwekkend Amerika, Breda, De Geus, 2007 - isbn 978-90-445-0894-9.

Synesthesie (Nabokov)

.
Geheugen spreek, de autobiografie van Vladimir Nabokov, is een merkwaardig boek. Verleden en heden overlappen elkaar, en het gehalte aan sérieux is me niet altijd even duidelijk. Neem nu onderstaande passage uit het begin van het boek*. Is dit een jeugdherinnering of niet? En prangender: meent die man dat echt? Of concreter: wie is in godsnaam die "albino-arts uit Erlangen"?

Boven op dit alles geef ik nog een fraai geval van gekleurd horen. Misschien is "horen" niet geheel correct, omdat de kleurgewaarwording alleen al lijkt op te treden als ik oraal een bepaalde letter vorm terwijl ik me de omtrek ervan voorstel. De lange a uit het Engelse alfabet (en dat is het alfabet dt ik hier verder in gedachten heb, tenzij anders vermeld) heeft voor mij de tint van verweerd hout, maar een Franse a doet mij denken aan gewreven ebben. Tot die zwarte groep behoren ook de harde g (gevulkaniseerd rubber) en r (een beroete lap die wordt verscheurd). De havermout der n, de weke noedels van de l en de ivoren rug van de handspiegel der o nemen het wit voor hun rekening. Ik weet me niet goed raad met mijn Franse on, dat ik zie als de oppervlaktespanning van alcohol in een tot de rand gevuld klein glas. Gaan we over naar de blauwe groep, dan zijn daar de stalen x, de onweerswolk der z en de bosbes van de k. Doordat er een subtiele wisselwerking tussen klank en vorm bestaat, zie ik de q als bruiner dan de k, terwijl de s niet het lichtblauwe van de c heeft, maar een merkwaardige mengeling van azuur en parelmoer. Aanliggende tinten lopen niet in elkaar over en tweeklanken hebben geen speciale eigen kleur, tenzij ze in een andere taal worden weergegeven door één enkel teken (zo is de donzig-grijze driepoot die in het Russisch staat voor sj, een letter even oud als de biezen van de Nijl, van invloed op de Engelse weergave sh).

Ik haast me voor ik word gestoord mijn lijst te voltooien. In de groene groep bevinden zich het elzenblad der f, de onrijpe appel van de p en de pistache der t. Dofgroen, in een bepaalde mengeling met violet, is het beste wat ik van de w kan zeggen. De gelen omvatten verscheidene e's en i's, de crème d, de hel gouden y en de u, waarvan ik de alfabetische waarde alleen kan verwoorden als 'geelkoper met olijfglans'. In de bruine groep bevinden zich de volle rubberige tint der zachte g, de lichtere j en de vale schoenveter van de h. Onder de roden ten slotte heeft de b de tint die door schilders wordt betiteld als gebrande siena, de m is een plooi in roze flanel, en vandaag heb ik eindelijk de volmaakte gelijke van de v gevonden - het 'rozenkwarts' in de Dictionary of Color van Maerz en Paul. Het woord voor regenboog, een primaire maar bepaald troebele regenboog, is in mijn privé-taal het nauwelijks uitspreekbare kzspygv. De eerste schrijver die op de audition colorée is ingegaan, was voor zover ik weet een albino-arts in 1812, in Erlangen.

* p.32-33 in mijn editie, Bezige Bij 2001.

2007-08-20

Geheugen (Van Istendael)

.
Het behoud van een oude stad is als het behoud van oude spelling. Erg praktisch is het niet, maar sloop de stenen, sloop de letters, en je sloopt de verhalen van vroeger mee. Figuren van vroeger verdwijnen, werk van vroeger, muziek van vroeger. De herinnering verdwaalt tussen nieuwe muren die haar afstoten, nieuwe orthografie, het nieuwe, rechte schrijven. Herinnering is de kern van de beschaving. herinnering waakt over de menselijkheid.


Sinds een paar maanden draag ik Mijn Duitsland van Geert Van Istendael mee*. Een prachtboek, al mist het hier en daar een goed gekozen foto, of een portfolio in de middenbladzijden. Het citaat hierboven staat op het einde van het hoofdstuk over Quedlinburg (p.330). Eigenlijk vormt het een besluit bij een paar beklijvende hoofdstukken over architectuur en geschiedenis. Het omgaan met herinnering en verleden vormt een rode draad doorheen dit lexicon.


* uitgegeven bij Atlas, isbn 978 90 450 0020 6




2007-08-12

Dossin

.
Toen ik in Mechelen op zoek was naar de Dossinkazerne passeerde ik dit mooie, luxueuze woonproject, "Hof van Habsburg" genaamd. Ook het Mechelse stadsarchief is er gevestigd.


Pas tijdens het nemen van een paar foto's herinnerde ik me een ander beeld en werd ik me bewust dat ik middenin de beruchte Dossinkazerne stond.


Het leven gaat verder... Terecht. Ook de wat pluizige naamsverandering roept niets anders dan begrip op; een riant appartement in de 'Dossinkazerne' lijkt me niet echt verkoopbaar en, eerlijk gezegd, ik zou begot niet willen wonen in een domicilie met die naam. Toch is het even slikken. Enkel een doorkijk vanop de Mechelse ring roept, zonder dat het de bedoeling is vermoed ik, een getralied verleden op.


Aan het andere kant van het gebouw, slecht aangeduid voor de zoekende reiziger, is het Joods Museum voor Deportatie en Verzet gevestigd, waar de evocatie van het Verzet me meer fascineerde dan het helaas al te vertrouwde verhaal van Deportatie. Daardoor heb ik het museum verlaten met gevoelens van eerbied en bewondering. Misschien niet de eerste bedoeling van zo'n memoriaal. Maar het mag, dunkt me.

2007-08-10

Dimitri Verhulst - Mevrouw Verona daalt de heuvel af

.
Zoals ik zo welsprekend kwam te zeggen, op korte tijd heb ik twee boekjes van Dimitri Verhulst verslonden.

Tom Van Imschoot biedt in Ons Erfdeel van mei 2007 een mooie synthese van het oeuvre van Dimitri Verhulst tot nu toe, en het is op zijn aanraden zeg maar dat ik deze novelle heb vastgepakt. Tot mijn grote vreugde en welbevinden.

Neem nu de eerste zin. Die is zo mooi dat ik het niet kan nalaten ze in haar geheel over te nemen. Hier volgt ze:

Ergens, in de vele verhalenbanken die her en der zijn aangelegd om uit te kunnen putten wanneer de wereld een vertelling nodig heeft, moet de fabel zijn terug te vinden die ons zegt dat men bij zijn aankomst in het rijk der doden een kenmerk moet melden, slechts één, dat het hele voorbije leven typeerde.

Dit is Borges over 1001 Nacht. Dit is Vlaanderen anno 2007, met Erfgoeddagen en inderdaad, verhalenbanken. Dit is een volzin die ik ooit eens in het Latijn wil vertalen. Dit is, kortom, Literatuur.
Fijngevoelig, melancholisch, diepmenselijk. Spannend tot de laatste bladzijde. Schalks nu en dan, een speelse schets van het leven in een Ardens dorpje die (bijna) nergens tot het karikaturale vervalt. Bijzonder mooi geschreven, zonder ooit te vervallen in schoonschrijverij. Hoewel. Even citeren (p.106):

Er zijn weinig gelegenheden waarbij het gebruik van het woord 'merkeldag' geoorloofd blijkt en een beetje schoonschrijver zou deze kans met beide handen moet grijpen. Maar hij zou overdrijven als hij het in dit geval deed, en de aandacht vestigen op zijn stoeferij.

Kan het mooier? Zalig, zo'n knipoog naar de lezer. Ik kon het niet laten om het eens op te zoeken. Inderdaad, 'merkeldag' staat in de dikke Van Dale. Maar 'stoeferij' niet. Heerlijk!
Toch is dit dunne boekje veel meer dan een virtuoze stijloefening. Het is tegelijk een heel treffende mijmering over liefde en geluk. Met een gevoel van dankbaarheid heb ik dit boekje gisterenavond weggelegd. In de overtuiging dat ik het nog meer dan eens zal openen.







Dimitri Verhulst - De helaasheid der dingen

.
Op korte tijd heb ik twee boekjes van Dimitri Verhulst verslonden.

De helaasheid der dingen
leek me incontournable. Veelbesproken, positief gewaardeerd, vaak vergeleken ook met Boontje.

Het eerste wat opvalt is de vertelkunst. Wat een vaart, wat een stijl, wat een taal. Een feest gewoon. Ook structureel valt er wat te beleven: achter al die losse anekdotiek blijkt een spel met de tijd schuil te gaan dat pas op het einde helemaal wordt ingeklaard.

Inhoudelijk mis ik Tipetotje de schilderes of een kantieke schoolmeester, om maar iets te zeggen. Het wereldje van Dimmetrieken is een claustrofobisch wereldje van pa, drie nonkels en een grootmoeder. Een vertekening die aandoet als een karikaturale uitvergroting. Het ontneemt kracht aan dit verhaal dat zich als autobiografisch aandient. De eventuele gelijkenis van bepaalde personages in dit boek met bestaande personen berust op louter mensenkennis. Ik wil dit gerust wel aannemen, maar de wereld van dit jongetje was ongetwijfeld ruimer dan het hier zo schitterend beschreven miniatuuruniversum. Ik hou er niet van wanneer een marginaal stukje samenleving tot een karikatuur wordt vertekend. In die zin is Boons Kapellekensbaan van een heel ander gehalte. De manier waarop de ondertussen vader geworden Dimitri worstelt met zijn verleden wanneer hij terugkeert naar Reetveerdegem is pakkend, maakt indruk op Tom Van Imschoot in Ons Erfdeel van mei 2007, maar heeft mij niet overtuigd. Zo'n dronkelap op een schilderij van Jan Steen kan zeer genietbaar zijn, een hoogtepunt in Hollands Gouden Eeuw voor mijn part, maar wat doet zo'n schilderij in het kunstkabinet van een burgerman? Met datzelfde dubbele gevoel heb ik dit boek dichtgeslagen. Ik luister niet alleen graag naar muziek, ik speel zelf ook gitaar en piano en maak liedjes, zo vertelt de auteur in De Morgen van 8 augustus. Dimmetrieken? Reetveerdegem moet toch wel een beetje groter geweest zijn dan het Hoekske of de Volkskring. Gelukkig maar. We houder er een groot auteur aan over.

Ondertussen blijkt dat er ook filmplannen zijn. Gaan we de gebroeders Dardenne achterna, of wordt dit een een dubbeltje van Ex-drummer?

2007-08-04

foto's

.
Ik heb mijn voorraadje foto's van Mons, het Wiertz-museum en het Erasmushuis upgeload naar dit adres.

2007-07-30

Marchese Ruspoli

.
G.F. Handel, Cantate per il Marchese Ruspoli, La Risonanza (Fabio Bonizzoni), Maria Grazia Schiavo, Nuria Rial, zondagavond 29 juli 2007 in de Sint-Jacobskerk.

Het palazzo waar signore Endel deze cantates componeerde staat er nog steeds, in de kleine gemeente Vignanello, en de herinnering aan hem wordt er blijkbaar nog bewaard. Ook in Rome staat een palazzo Ruspoli, dat zich nu profileert als congrescentrum, maar reeds in het cinquecento ging het al over op andere families - enkel de naam bleef blijkbaar behouden. Over de markies die de jonge Handel zo gastvrij onthaalde valt niet meteen iets te vinden. Feit is dat de man weinig literaire eisen stelde aan de libretto's die hij Handel voorlegde. Het blijft me trouwens een raadsel hoe volwassen intellectuelen van in het Hellenisme tot in de vroege 19de eeuw zich zo hebben kunnen verliezen in dat onnozele gedoe van herders en herderinnetjes.

Maar het moet gezegd: de muziek die Handel boven deze teksten plaatste is heerlijk. De jonge, beweeglijke sopraan Maria Grazia Schiavo bracht de vurige meisjesrol, de Spaanse Nuria Rial zong de iets meer ingetogen jongenspartituur. Beiden bleven schitterend virtuoos, enkel de korte samenzang op het einde van Aminta e Fillide was niet helemaal foutloos. De scenische interactie was eerder koel. Het mag dan nog een concertante uitvoering wezen, een avond lang over de pijlen van amor zingen zonder elkaars blikken te kruisen vraagt toch een speciale inspanning.

La Risonanza neemt momenteel alle Italiaanse cantates van Handel op, en ook het concert van deze avond sorteerde onder deze noemer. De cd-opname van deze Cantate per il Marchese Ruspoli gebeurde echter met twee andere sopranen.

2007-07-29

Jacques Du Broeucq

.




.
Hij was beeldhouwer en architect, zoals de groten van de Italiaanse renaissance die hij bewonderde. Net als zijn tijdgenoot Lassus werd hij geboren (ca. 1505) in de omgeving van Mons, en maakte hij een reis naar Florence en Rome. Lassus bleef in Italië, Du Broeucq keerde terug en werd een gunsteling van Maria van Hongarije. Zijn werk is voor een groot deel verloren gegaan: Henegouwen is een oorlogsgebied, en oorlog is nefast voor architectuur. Pas laat werd hij ontdekt als een renaissancekunstenaar van Europees formaat.

Van zijn beeldhouwwerk blijven enkel de sculpturen die hij omstreeks 1535 maakte voor het doksaal in de kerk van de kanunnikessen van Ste. Waudru. Progressieve kunst in een kerk die al ouderwets was nog voor ze was voltooid. De gelovigen in de kerk kregen geen heiligenbeelden te zien, maar zeven mooie albasten vrouwen: de kardinale en de theologale Deugden. Op de foto's: de moederlijke Liefdadigheid, en de Hoop, reikhalzend naar den hoge. Het zijn bijna klassiek aandoende beelden die in drapering en houding doen denken aan de antieke kunst die Du Broeucq in Rome moet gezien hebben.

Tenslotte het beeld van Bartholomeus: een deel van de prijs die hij eind 1572 moest betalen om te ontsnappen aan zijn executie, want samen met 80 anderen was hij betrapt als Calvinist - wat ten tijde van Alva de dood betekende. Dankzij zijn reputatie kreeg de kunstenaar een alternatieve sanctie die weliswaar niet zonder cynisme was, met de Bartholomeusnacht van 24 augustus 1572 in het achterhoofd. De Broeucq maakt er een meesterwerk van, en naar verluidt ook een zelfportret.

Wie meer wil zien kan hier terecht. Ik vond een mooi artikel over Du Broeucq in Tertio, naar aanleiding van een tentoonstelling in 2005, en een fijne synthese van leven en werk op de website van Mons. De collegiale kerk van Ste. Waudru alleen al maakt een bezoek aan de stad van Elio di Rupo de moeite waard.

2007-07-28

Fumeurs

.
Zodiac, Capilla Flamenca in de Sint-Gilliskerk, vrijdagavond 27 juli 2007

Na een jaar verwenning in het Concertgebouw is dit weer het Festival Musica Antiqua in zijn aloude essentie: elleboog aan elleboog samengepakt in een eeuwenoud kerkinterieur, met de beenruimte van een goedkope chartervlucht genietend van hemelse oude muziek die ronduit te mooi is om zich te ergeren aan het feit dat de organisatoren een pilaar geplaatst hebben tussen mijn stoel en het ensemble. Over het visuele aspect van dit concert heb ik dus bitter weinig te melden.

Het muzikale aspect: zalig. Dat weet je als je naar de Capilla Flamenca komt. Een met zorg samengesteld programma van vooral ars nova, vierstemmig uitgevoerd met een naar de perfectie neigende eenvoud. De titel zat een beetje fout: met de dierenriem heeft dit concept weinig te maken, maar muzikaal en textueel treft eens te meer de rake keuze van de samenstellers. Dit programma bestaat trouwens al een tijdje op cd, bij Eufoda.

Il n'i a point d'outrayge quant on fume sans fayre autrui damage, zo werd gezongen in een lied van Jean Simon Hasprois (+1428), bewaard in de codex Chantilly. Is dit een rokerslied? Merkwaardig toch, een kleine eeuw voor de ontdekking van Amerika. Was de waterpijp doorgedrongen vanuit het oosten? Zo ja, wat rookte men? Noch het internet, noch de Britannica helpen me echt op weg. De tekst lijkt me figuurlijk interpreteerbaar in de zin van 'dampen' van woede of passie. Ik sta daar blijkbaar niet alleen in. Anderen zien het blijkbaar concreter. Blijkbaar bestond er in Frankrijk een geheim genootschap van hasj-gebruikers. Te mooi om niet waar te zijn natuurlijk. Maar waar haalt men deze schilderachtige informatie? Misschien gewoon uit deze tekst...

Dat het laatste lied, Ach vlaendre vrie hedel aert van Bruggeling Thomas Fabri ook als bisnummer werd herhaald, tekent misschien wel de tijdsgeest in het Vlaanderen van 2007.

2007-07-26

Struikelen over de draad van Ariadne

.
Ensemble Zefiro Torna & ZOO/Thomas Hauert, Puzzled
Woensdagavond 25 juli, Concertgebouw

'Een multimediale voorstelling gebaseerd op oude muzikale raadsels', zo werd het aangekondigd. Het resultaat was een verfrissende voorstelling, heerlijk op zijn plaats als opener van een nieuw festival Musica Antiqua. Dans, video, oude muziek, en een onuitputtelijk thema. Dat opent mogelijkheden. Er waren prachtige choreografische momenten, er werd vakkundig gedanst, er was ruimte voor humor, er werd een goedgekozen verhaal van Kafka voorgelezen (Een keizerlijke boodschap), er werd een labyrint geboetseerd met klei, en muzikaal stond alles op hoog niveau. Een feestelijke avond eigenlijk.

De aandachtige lezer hoort mij al komen: en toch. Het is de melomaan in mij die wat in opstand komt. Om twee redenen.

Vooreerst: was het echt nodig voor dit concert de zang en de begeleiding elektronisch te versterken? Dit is een persoonlijke vraag, want ik heb nu eenmaal een hekel aan elektronische versterking in een live-concert. Daar ligt voor mij de grens tussen wat ik wel en wat ik niet graag bijwoon. Het mag folk zijn, jazz of klassiek en al wat daartussenin en desnoods daarbuiten ligt, maar het aloude, eerlijke, breekbare spel van een instrument of een stem in een bepaalde ruimte, dat is voor mij muziek. Daar ben ik nogal principieel in.
De muziek van woensdagavond kwam, hoe mooi ook, uit boxen. Mijn bezwaar is meer dan principieel. Het kan niet dat in renaissancemuziek de luit plots harder doorklinkt dan de zangstem. Of dat de zangstem wat extra versterking krijgt omdat de zangeres toevallig aan het dansen is. Het kan niet dat de akoestisch-ruimtelijke oriëntatie wegvalt. Als drie zangeressen en negen dansers aan het bewegen zijn over het podium, dan verwacht je die beweging, de verplaatsing van de stemmen in de ruimte te horen. Zo'n ervaring valt natuurlijk weg als alles uit de boxen komt. Dan heb je een toneelkijker nodig om te zien wie er eigenlijk aan het zingen is. Is zingen en bewegen tegelijk te moeilijk zonder micro? Wat is opera dan?
Ik ga niet zover zoiets te vergelijken met wielrennen onder doping. Daarvoor was de uitvoering gisteren te hoogstaand. Maar zeker in een akoestische ruimte als de Concertzaal had het zonder die draadloze microfoontjes gekund.

Secundo. De rol van de muziek in het geheel. Prachtig bijeengeharkt materiaal, van Dufay over J.S. Bach tot een parel voor hobo solo van Heinz Holliger. Dat weet ik, omdat ik het programmaboek gelezen heb. In de zaal kon dat niet, want het was donker. En tussen al het projectiewerk door was er geen ruimte voor een titeltje, laat staan voor een tekst. Laat staan voor een partituur. Want zo'n Holliger-partituur is, naar verluid, visueel heel bijzonder. De partituur van Baude Cordiers driestemminge rondeau Tout par compas suy composés is, zo zegt het programmaboek, uitgewerkt in de vorm van twee concentrische cirkels. Een mens zou van minder nieuwsgierig worden. 'Het fascinerende Ave maris stella van Ghiselin Danckerts', zo schrijft Katelijne Schiltz in het programmaboek, 'neemt de vorm aan van een schaakbord (met 8x8 afwisselend zwarte en witte vlekken)'. Tja, dat had ik dan wel graag eens gezien. Waar zit het labyrint in Retrove (Estampie) uit de Robertsbridge Codex? Mij een raadsel. Maar zitten hier geen mogelijkheden tot visualisatie, zonder dat het programma tot een documentaire verwordt? Hoort dat echt enkel thuis in de inleiding van Katelijne Schiltz om kwart over zeven?

Doordat de link tussen beeld en muziek tijdens het concert zeer afstandelijk werd gehouden, ontbrak er uiteindelijk een dimensie: hier had net zo goed andere muziek kunnen worden gespeeld. En dat is toch wel erg jammer.

Maar hoe dan ook: toch blij dat ik er bij was. Er waait een frisse, boeiende wind doorheen dit festival. Stof tot nadenken gepaard aan esthetisch genieten: wat willen we meer?


2007-07-23

Waanzin, mild.

.
Geef toe, dit is waanzin. Een milde, zachtaardige, totaal onschadelijke vorm, maar toch: dit is ontegensprekelijk waanzin. Philologia psychotica, of het Syndroom van Barnes.
.

2007-07-21

Wiertz

.




.
Antoine Wiertz (1806-1865): zonderling, romanticus bij uitstek, maar gewiekst genoeg om zijn immense atelier te laten subsidiëren door de overheid, zodat hij zich naar hartelust kon uitleven in onverkoopbare megalomane doeken.
Hij bezorgde Brussel een bizar museum vol beelden (hij boetseerde, Auguste Vranck voerde ze uit in marmer) en vooral schilderijen. Door hun enorme formaat vormen de schilderijen een ideaal decor voor zijn niet minder theatrale sculpturen.

Hortus philisophicus

.




.
Achter het Erasmushuis in Anderlecht - vaut le détour voor wie van tijdreizen houdt - ligt een 'filosofische tuin', aangelegd omstreeks de eeuwwende. Het subtiele spel dat hier door een vijftal kunstenaars wordt gespeeld, complexloos elitair, vol fijne referenties en vondsten, soms op het maniëristische af, past wonderwel in dit humanistische kader. Het lijkt wel alsof je rondwandelt in een eigentijdse versie van de fantastische tuinarchitectuur in de Hypnerotomachia Poliphili, humanistenroman bij uitstek.

Op de foto's: het maanstenen Observatorium van Bob Verschueren, de hemel die reflecteert op Erasmus' woorden in de bladvormige Larmes du ciel van Marie-Jo Lafontaine*, en een blik naar boven van in het tuinpaviljoen van Perejaume.


*Lafontaine is o.m. verantwoordelijk voor Babylon Babies, de prachtige reeks portretten die de covers van Streven sierden in jaargang 2002.

2007-07-16

Palazzo Belgacom

.
Even mezelf citeren*, anno 1989:

Postmodern in zoverre er duidelijk iets nieuws gebeurt ten opzichte van de blokkendozen die voorheen als modern golden. In zoverre er eindelijk weer sprake is van een duidelijke inspiratie en van gefundeerde esthetiek. Postmodern omdat Herman Augustyniak, Paul De Maeght en Roland Vernimmen naar hartenlust geciteerd hebben uit het architecturale prentenboek dat Brugge is: stoere muren, een beeldig erkertje, spiraalsgewijs gedraaide schoorstenen, ramen met links en rechts een stenen zitje voor wie naar buiten wil kijken, zuilen met klassieke cannelures, speelse rondboogjes in de ondergrondse parking. Elementen die doen denken aan Delacenserie's extravagante Rijksnormaalschool in de Sint-Jorisstraat, aan het stadhuis, aan het kasteel Zwaenekerke dat vroeger op dit terrein stond. Postmodern ook omwille van de fijne ironie waarmee dit gebeurt.




* Er is een tijd geweest, een lange tijd zelfs, dat het personeel van het Sint-Leocollege over een eigen tijdschrift beschikte: Het Leeuwtje van de Potterie, in redactie van Rudy Denolf en Noël Floré. We schreven over de school, over het onderwijs, over kunst en muziek. We konden er onze literaire ambities en foto's in kwijt. De redactievergaderingen waren legendarisch. Ik bezong 'Brugge's Bonte Telefoonpagode' in het nr.34 (1989), pp.8-19.

Slotconcert Internationale Bachdagen

.
Sint-Jacobskerk, zondag 15 juli, 17u

De 72 deelnemers aan deze Bachweek gaven het beste van hun kunnen, nu eens ingedeeld in een kleinere subgroep, dan weer 'tutti'. Indrukwekkend is het repertorium dat in zeven dagen tijd werd ingestudeerd, want de naam van dit initiatief dekt niet helemaal de lading. Naast een paar zeer geslaagde fragmenten uit Herz und Mund und Tat und Leben (BWV 147) stond bij voorbeeld ook de creatie van een geslaagd gelegenheidswerk van Erika Budai op het programma. Een boeiende partituur voor koor en sopraan die wat doet denken aan het vokaal werk van John Taverner in bv. The Veil Of The Temple. Schubert was er ook bij, en Brahms met vier zeer Duitse Gesänge für Frauenchor mit Begleitung von zwei Hörnern und Harfe. Het slot was vrij bombastisch met een van de Coronation Anthems van Handel, maar dé ontdekking voor mij waren een paar vrijmetselaarsliederen van Mozart, voor mannenkoor uiteraard: relatief eenvoudige muziek die het midden houdt tussen liturgie en opera - zoals ik mij zo'n logeritueel overigens ook voorstel.

De koren werden knap ondersteund door het barokensemble van het Collegium de Dunis. Dirigenten waren afwisselend Patrick Peire, Ignace Thevelein, de motor achter heel dit gebeuren, en Ludo Claesen. Een belangrijke dragende rol in dit uiteenlopende programma was weggelegd voor sopraansoliste Sarah Peire.

2007-07-09

Museum voor Schone Kunsten, Gent / notities / 6


.

Anoniem Gents, De verovering van Jeruzalem door Titus


De reproductie hierboven van deze predella, nauwelijks 30 cm hoog, is nietszeggend. Ook op de website van de Vlaamse Kunstcollectie is de resolutie ontoereikend om zinvol in te zoomen. Dat is jammer, want het gaat om de details in deze actuele weergave van de wreedheden bij de inname van Gent door Maximiliaan van Oostenrijk en zijn pa, Frederik III, in 1488.
Deze schrijnende aanklacht tegen het oorlogsgeweld hoorde thuis in een kerk, als predella onder een altaarstuk in de St.-Baafskathedraal. De priester die aan dit altaar de mis las, met de rug naar de gelovigen, had deze gruwelbeelden letterlijk voor ogen, als decor voor brood en wijn.

Museum voor Schone Kunsten, Gent / notities / 5


.

Hiëronymus Bosch, Kruisdraging


Geen diepte. Het fanatisme dringt zich op. Tussen al die haat: sereniteit. Niet alleen de kruisdrager, ook Veronica. Ze glimlacht zelfs. Ze weet beter.
Hij, in het midden, lijkt onaangedaan, geconcentreerd. Hij heeft wat te doen, een taak te vervullen. Het kruishout verbindt hem met iets hogers: het licht dat van linksboven komt.

De goede moordenaar, rechtsboven, en Simon van Cyrene, linksboven onder het kruis, houden moeizaam stand temidden van het gejoel. Bij hen geen sprake van sereniteit.

Kleuren: de twee dames rivaliseren met hun hoofddeksel. En wat heeft de kwade moordenaar, rechtsonderaan, op zijn slaap?

Dertien variaties in de fysionomie van de tiffose waanzin. De neus speelt in deze studies de hoofdrol. Het doet me denken aan die negentiende-eeuwse classificatiepogingen rond de 'physio(g)nomie' van het gelaat, zoals Johann Caspar Lavater en wat later Cesare Lombroso.

Museum voor Schone Kunsten, Gent / notities / 4


.

Hiëronymus Bosch, Hiëronymus in gebed


De eigenzinnige wijze waarop Bosch omspringt met de traditionele attributen valt me op. De kardinaalshoed slingert op de grond. De bibliotheek is vervangen door een gesloten boek, in het zand. De leeuw is een nieuwsgierige poes geworden. De woestijn waarin Hiëronymus zich bevindt lijkt een open plek bij een grot in een bevolkt en paradijselijk aandoend landschap.


De dieren spreken, zoals wel vaker bij Bosch, een eigen symbooltaal die ik niet goed begrijp. Een streng ogend uiltje - geen duif - houdt van dichtbij toezicht op de innerlijk worstelende kluizenaar.

Museum voor Schone Kunsten, Gent / notities / 3


.

Omgeving van Rogier Van Der Weyden, Madonna met de anjer.


Wat me treft in oude kunst als deze is de uitbeelding van het goddelijke. Dit is een devotiepaneel, gemaakt om in gebed te contempleren. Dit is geen 'moeder-en-kind', geen salonstukje. Voor dit schilderij werd in alle intimiteit gemediteerd en gebeden.

Wat wordt hier gezegd over God? Wordt de kijker verondersteld zichzelf te beschouwen als die kleine op de schoot, geborgen, reikend naar de anjer? Of is de kijker een beschouwende buitenstaander, en het schilderij een uitbeelding van de goddelijke liefde? Wordt God hier uitgebeeld, niet als een gestalte, maar als een relatie? Hetzelfde idee dus als de Triniteit van Roublev?

Misschien is dat trouwens een aspect van de rijke betekenis van dat onvatbare concept Drievuldigheid: God is geen persoon, laat staan een oude man met een baard. God is een liefdesrelatie.

Ik ben geneigd zoiets in dit schilderijtje te herkennen. In die zin is de oude iconografie zo oneindig rijk.

En toch gaat het hier niet om een allerindividueelste expressie van een schilder die toevallig een inzicht heeft gehad en dit tot expressie heeft gebracht. Dit is een herkenbaar motief dat vertrouwd overkwam, conventionele iconografie die door duizenden werd begrepen en herkend.


2007-07-08

Museum voor Schone Kunsten, Gent / notities / 2


.

Anoniem Gents, Triptiek met de familie van de heilige Anna.


De apocriefe traditie van de heilige Anna brengt een aantal bijbelse namen stamboomsgewijs met elkaar in verband, zoals dat in mythologieën wel vaker gebeurt. Anna is drie keer getrouwd geweest. Maria Salome, gehuwd met Zebedeus is een dochter uit haar eerste huwelijk; Maria Cleophas, gehuwd met Alpheus, een dochter uit haar tweede huwelijk; 'dé' Maria, gehuwd met Jozef, een dochter uit haar derde huwelijk. Alpheus is de vader van de apostelen Mattheus en Jacobus; Zebedeus is de vader van de apostelen Johannes en Jacobus de Meerdere. In die optiek lijkt heel de beweging rond Jezus wel een clan, een soort familiebedrijfje. Een aspect dat sterk aan bod komt in een zwaar onderschatte, en helaas nooit in het Nederlands vertaalde, roman van veelschrijver Gérald Messadié, L'homme qui devint Dieu.

De commentaar in het museum is ietwat prozaïscher, hoewel ook interessant: de cultus rond de H. Anna kent haar hoogtepunt ca. 1500. Het belang dat gehecht wordt aan haar stamboom en haar drie huwelijken zou te maken hebben met een oeroude vruchtbaarheidscultus: Anna als een van de vele emanaties van de Grote Moeder.
Voor een reproductie moet ik me beperken tot een zwartwit-reproductie van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. De aloude fotocollectie van het ACL, ondertussen knap gedigitaliseerd, blijkt nog steeds onmisbaar, hoewel het KIK doorgaans veel recenter materiaal ter beschikking stelt. Het hele Belgische kunstpatrimonium fotografisch on-line aanbieden is natuurlijk ondenkbaar, maar deze website zit er toch griezelig dichtbij.




Museum voor Schone Kunsten Gent / Notities / 1



.


Pedro Nicolau, Christus in het graf


Geen verhalend schilderij met Nicodemus en Jozef van Arimathea; hier houdt een engel, liefdevol en behoedzaam, de overledene vast. Sacraliteit verdringt het verhaal. Of misschien omgekeerd, want dit is Italiaanse kunst: de Byzantijnse vergeestelijking is hier nog niet verdrongen door het Vlaamse vertellen.


De achtergrond is een desastreus spektakel van kruis, foltering en kalvarie. Maar wat mij fascineert is de predella-achtige voorgrond: een desolaat woestijnachtig landschap dat perfect past bij het onderwerp van dit schilderijtje. Het feit dat landschap hier sfeer of zelfs emotie oproept en een beetje fungeert als een toneeldecor lijkt me merkwaardig modern, een gegeven dat eerder in de romantiek dan in de middeleeuwen thuishoort.
De afbeelding haal ik (met een screenshot) uit http://www.vlaamsekunstcollectie.be/: een interessant, omvangrijk, goed onderhouden overzicht van Vlaanderens drie grootste kunstcollecties. De kwaliteit van de reproducties laat soms wat te wensen over als je inzoomt. Maar dat kan de pret nauwelijks drukken.




2007-06-24

Vinnitskaya en Inkinen*

.
Best aangenaam als je een concert kan laten voorafgaan door een zonnig wandelingetje op de zeedijk. Een aangename verrassing na een meer dan regenachtige dag.

Het was mijn eerste kennismaking met deze zaal. We zijn natuurlijk verwend met onze vaste stek in Brugge, maar het kursaal kan er als concertruimte best wezen. De droge akoestiek werkt verhelderend: een korte noot is een korte noot. Een deel van de klank - de achterste rijen van het orkest - gaat wat verloren in de toneeltoren, maar daar valt mee te leven. De wandelgangen van het kursaal baadden in een kleurig, wat vervreemdend neonlicht, wat tijdens de pauze aanleiding was tot bijgaande foto. Op de achtergrond de drukte rond een signerende Vinnitksaya, op de voorgrond die onverstoorbare pianist. De officiële duiding van dat beeld in de inkomhal ken ik niet. Maar het staat er heerlijk.



Op het programma eerst de Tannhauser-ouverture, eerder vlak gespeeld. Ik miste wat effect, wat contrast en de grote bogen. La Vinnitskaya deed vervolgens wat van haar verwacht werd: schitteren. Ze had gekozen voor het eerste van Tsjaikovski. Dat hebben we de voorbije weken natuurlijk wel meer gehoord, maar toch: dit staat. Puike virtuositeit - net niet helemaal foutloos, maar dat vergeven we haar liefdevol - en heerlijke muziek tegelijk. Wat een dame. De zaal was laaiend enthousiast en dus volgde er een bisnummer. Aan Chopins eerste étude vergallopeerde ze zich: virtuoos uithalen, dat wel, maar geen muziek. Maar ook dat vergeven we haar liefdevol. Wat een dame.


Maar de grote revelatie kwam wat mij betreft na de pauze. Bartoks Concerto voor orkest. Ongelofelijk boeiende muziek die me bijna letterlijk op het puntje van mijn roodpluchen zetel hield. Jazzy en Hongaars, speels en melancholisch, op en top 20ste eeuws. Als uitvoering smetteloos. Het Nationaal Orkest maakte mijn twijfels na de Tannhauser meer dan goed. De jonge Pietari Inkinen openbaart zich als een knap dirigent die het orkest op grote hoogte meeneemt. Dat orkest presteerde schitterend op deze waarschijnlijk aartsmoeilijke partituur.


Eigenlijk wel een avond met contrast: voor de pauze het dienende orkest, in functie van een schitterende soliste, na de pauze die collectieve prestatie van een zestigtal musici die het beste van zichzelf geven. Als het om symfonische muziek gaat heb ik zo mijn voorkeur...






* Nationaal Orkest van België o.l.v. Pietari Inkinen - volgens mij verkeerd aangekondigd als Inkanen - met Anna Vinnitskaya in het kursaal van Oostende, zaterdagavond 23 juni.

2007-06-23

Sint-Anna, vrijdagmorgen


.

Gueules cassées, nogmaals

.
Een inspirerende tekst, dat artikel van Christophe Van Eecke in het meinummer van Streven. Met een intrigerende bibliografie ook. Getuige daarvan onderstaand citaat.

In haar boek The Body in Pain (1985) probeert Elaine Scarry onder meer te achterhalen wat de zin is van de ontelbare gebroken lichamen die in elke oorlog worden geproduceerd. Waarom maken net het verwonden en het doden van lichamen de essentie van oorlog uit? Een oorlog is een strijd waaruit een winnaar moet voortkomen, dus in theorie zou je die strijd kunnen vervangen door een alternatief: een grote sportkamp of een intellectueel of artistiek treffen, zonder bloedvergieten. Maar bij zulke vormen van wedstrijd kan het resultaat achteraf altijd worden betwist. Men kan de criteria op basis waarvan de winnaar wordt bepaald steeds opnieuw in twijfel trekken. Bij gewonde lichamen kan dit niet. Gewond is gewond. Dood is dood. Het verwonden tijdens een oorlog heeft een dubbele functie. Het duidt niet alleen de winnaar aan, de toegebrachte wonden bestendigen de strijd ook na het afkondigen van de wapenstilstand.

Echt origineel kun je de stelling van Scarry niet noemen. Elke culturele antropoloog zal wel voorbeelden kunnen aanhalen van oorlogsvervangende wedstrijden of rituelen. De Romeinen hebben het uitgeprobeerd toen ze hun Horatii inzetten tegen de Sabijnse Curiatii. Een idee dat hen trouwens door hun vrouwen werd ingefluisterd. Maar het blijft een waarheid, die hier bijzonder trefzeker en met een uitdagende rationaliteit wordt geponeerd.

Vriendschap, 19-eeuws

.
Als je sociale verhoudingen in het verleden beschouwt is het gevaar groot dan je je eigen criteria gaat aanwenden en toepassen, met als gevolg dat je er geen snars van begrijpt. Het boek van Christian Laes over kinderen bij de Romeinen* is op dat vlak revelerend - het beste boek over de oudheid dat ik in jaren gelezen heb.

Ik moest aan hetzelfde principe denken toen ik in Streven van mei de mooie tekst las van Christophe Van Eecke, Gueules cassées. Kleine fenomenologie van de frontsoldaat. Ik citeer uit p.424:

De verbondenheid tussen de soldaten was vaak zeer intens en had soms zelfs een erotische ondertoon. Om dit te begrijpen, moeten we stilstaan bij de manier waarop relaties tussen de troepen vorm kregen aan het front. Het is bekend dat er met name onder de Britse troepen soms een sterk gevoel van samenhorigheid heerste ('male bonding') Zowel Joanna Bourke als Paul Fussell halen aangrijpende getuigenissen aan van de affectie die soldaten voor elkaar voelden en die ze soms omschreven als 'een liefde die de liefde voor vrouwen overstijgt'. We mogen hier echter niet zonder meer van homoseksualiteit spreken. Het was veeleer een kuise vorm van (gesublimeerde) homo-erotiek met sterke wortels in het Britse burgerleven, bijvoorbeeld in de verliefdheden ('crushes') en relaties tussen jongens in de public schools.

Frodo Baggins en Samwise Gangee dus: een voor onze criteria onbegrijpelijke vriendschap. Maar is dit zo typisch Brits? Ik denk van niet. In heel wat Duitse Lieder gaat het er even hartstochtelijk aan toe, worden tranen van vreugde geplengd en vrienden an der Brust gedrukt. Het lijkt me veeleer een product van elke mannenmaatschappij, zeker van een mannen-microkosmos als kostschool of leger. Je vindt het fenomeen trouwens ook in de oudheid terug. In de Aeneis bij voorbeeld gaan mannen op een zeer emotionele manier met elkaar om.
Ons eigen, sterk geërotiseerde denkkader plakt hier het etiket 'homofilie' op maar creëert hier feitelijk een blinde vlek.


*Laes, C., Kinderen bij de Romeinen. Zes eeuwen dagelijks leven. Leuven, Davidsfonds, 2006. Ik heb het uitgebreid besproken op de website Klassieke Talen.

2007-05-28

Brahms

.
Orchestre Révolutionnaire et Romantique - Viktoria Mullova - John Eliot Gardiner in het Concertgebouw op vrijdagavond 25 mei 2007

De symfonische Brahms gaat er bij mij niet in. Vraag me niet hoe het komt. Het mag Beethoven zijn, Mahler brengt me in extase, ik heb ademloos geluisterd naar de Turangalila van Messiaen. Maar Brahms? Ik dacht dat een topuitvoering als deze me definitief in de wereld van Brahms zou binnensleuren. Nee dus.

Aan de uitvoering zal het niet gelegen hebben. Het Orchestre-met-de-lange-naam toonde zich compact maar scherp, de authentieke instrumentering geeft een ietwat ongewoon maar evenwichtig klankbeeld. In vergelijking met Anima Eterna's Beethoven een paar weken geleden was de uitvoering minder analytisch, minder helder. Is dit Beethoven tegenover Brahms? Of is dit Van Immerseel tegenover Gardiner? De rijzige John Eliot houdt met enig flegma de teugels volledig in handen en bouwt in donkerrode tinten een klanktapijt op dat nergens in excessen vervalt. Is dit Gardiner, of is dat de zogenaamd conservatieve Brahms?

Aan la Mullova zal het zeker niet gelegen hebben. In tegenstelling tot haar even feilloze als gevoelloze Bach-vertolking in maart was ze er nu helemaal bij. Het intense speelplezier van een artiste die iets heel moois kan, blij is dat het echt goed lukt en haar toevallig aanwezige publiek laat meegenieten: zo leek ze op het podium te staan. Zo'n oerklassiek vioolconcerto met de klank van darmsnaren heeft echt iets.

Het vioolconcerto op.77 was het enige onderdeel van het programma dat me muzikaal echt gegrepen heeft. De adembenemende cadenza zal me lang bijblijven. Wat ik helaas niet kan zeggen van de Tragische Ouverture of de Tweede Symfonie. Brahms grijpt me niet aan, maar stoot me ook niet af. Ach ja, ik heb nog alle tijd om te leren luisteren.

Ik besluit met een citaat, uit de tekst van Pieter Bergé in de programmakaart, over die conservatieve Brahms. Een mooi genuanceerde doordenker, misschien ook over conservatisme in het algemeen:

Hij is als het ware een vernieuwer binnen een traditie die door een meer fulminante tendens overwoekerd werd, maar die daardoor allerminst haar eigen artistieke relevantie verloor.

2007-05-27

In paradisum

.
Tijdens een sobere begrafenis gisteren in de Sint-Michielskerk moest ik onwillekeurig terugdenken aan deze passage van Ger Groot, uit Het krediet van het credo. Hij verwijst naar een indrukwekkende muurschildering van Fabio Rieti uit 1982.

Wie, zoals de klimmer van Rieti, moeizaam zijn koffer over de trap van het leven naar boven zeult, weet dat zwaartekracht drukkender kan zijn dan het denken erover ooit kan ervaren. Die gestage zwarigheid verhevigt zich op de kantelmomenten van het leven soms tot een overdraaglijkheid die alles in de waagschaal stelt.

Het in alle opzichten domme feit van de religie tempert beide ongemakken – de doffe zwaarte en de acute crisis – zonder ze ooit blijvend te verhelepen. Voor de redelijke wezens die wij zijn is dat een nederlaag, die we niettemin te incasseren hebben. Vroeg of laat lopen wij domweg tegen de grenzen daarvan aan en klinkt de dodenhymne In Paradisum – voor onszelf of voor iemand die ons dierbaar was. (…)

Het hoort bij het realisme van een godsdienst die op hetzelfde moment iedere aanwezige heel even tegen alle scepsis en redelijk weten in doet verlangen dat het waar mocht zijn wat er gezongen wordt: dat engelen jou mogen begeleiden naar het paradijs.

2007-05-19

Willem Barnard

.
In de Knack van vorige week heeft Benno Barnard het in zijn column over zijn vader, Willem. Ik voeg hier even een scan toe voor wie niet bij Knack binnenkan. Een mooi, aangrijpend portret, verval en waardigheid. Het doet me teruggrijpen naar het dichtwerk van Guillaume van der Graft, en naar dat wondermooie opus magnum, Stille Omgang.


2007-05-17

Brugge, donderdagnamiddag

Wie Brugge op haar mooist wil fotograferen wordt vaak gehinderd door de verkeersborden die het stadsbeeld overvloedig domineren en elke poging om wat te spelen met kleur, licht en perspectief hopeloos tenietdoen. Automatisch ga je dan wat hogerop kijken. Dit is een beeld van de immer drukke Mariastraat, gezien op merelniveau.


Heilig-bloedprocessie

.
Wat foto's van deze namiddag, willekeurig van volgorde, met wat gedachten erbij. Want het blijft me wat doen, die jaarlijkse traditie. Wachten tussen de mensen op de stoep, het geluid van een naderende fanfare, het zinderen van de grosse caisse die voorbijmarcheert: een kippenvelgevoel dat teruggaat tot mijn kleutertijd.


De oude verhalendoos wordt nog eens opengetrokken: bijbelse historie, Brugse overlevering over Diederik van den Elzas en Sybille van Anjou, toen kruisvaarders nog helden waren en geen rovers, christenhonden of vrouwenschenners. Spreekkoren in de straat en gezangen die mijn ouders met liefde meezongen. Ik herinner me nog hun ergernis toen een veel te suggestieve Salomé voor het eerst buikdanste voor haar pa Herodes.



Hier en daar valt me de afwerking op in kostumering en decor, zeker in de recentere onderdelen. Er is gezocht naar goed gecaste 'koppen' en een zin voor historisch detail tilt sommige taferelen boven het kitscherige uit. Een kraampje dat meegedragen wordt in een jaarmarktscène blijkt bij nader toezien - achteraf in de beurshalle - vol te liggen met ingrediënten uit de middeleeuwse keuken, van pastinaak tot gember. Niets in de aankleding wordt aan het toeval of de keuze van de vrijwilliger overgelaten.



Ik sta naast een sympathiek stel Catalanen en vertel hen weetjes en anekdoten allerhande, tussendoor nu en dan knipogend naar de geschminkte gekostumeerde bekenden die vanachter hun vermomming schalks een teken van herkenning geven. Met vaderlijke trots wijs ik hen mijn jongste dochter aan die samen met twee vriendinnen luidkeels de komst van de messias aankondigt. Is dit een cluster van gevoelens die onder de noemer 'nationalisme' valt? En ik die dacht dat ik een wereldburger was...



Ik hou ervan om voor de processie rond te hangen rond de Beurshalle. Het loopt er vol anachronismen, de treurende vrouwen zijn er nog een laatste keer uitgelaten, de bazuinen worden gestemd en de schapen in hun kleine kudde snappen er niets van. Baarden en pruiken worden nog eens gefixeerd, door de megafoon klinken de ultieme instructies. Nog even knipperend met de ogen komen de personages uit het grote zenuwcentrum tevoorschijn.


2007-05-13

Tirza (1)

.
Van Arnon Grunberg had ik tot nog toe niets gelezen. Het concept Fantoompijn vond ik fijn gevonden en als metonymie bijzonder bruikbaar, maar de auteur als mediaverschijning stond me wat in de weg. Overdosis ego, weetjewel. Zijn blog alleen al bulkt van het lijden van de geniale auteur die moet zien te overleven temidden van de dwaze maar bewonderende mensheid.
Maar er zijn nu eenmaal een paar gezaghebbende stemmen wiens lectuur- en luisteradviezen ik hondsgetrouw opvolg. En dus ben ik in Tirza begonnen. Wow. Wat een stylist! Ik ben nauwelijks begonnen, maar het gevoel is er al: dit wordt een mooi boek.
En bijgevolg kan ik het niet nalaten even te sprokkelen. Wordt vervolgd, reken maar.

14
Er zijn mensen die 's morgens wakker worden met de gedachte: er moet een oplossing komen voor dit alles, zo kan het niet verdergaan. Hofmeester is een van hen.

18
Naarmate de stilte langer duurde, nam de spijt toe. De tijd heelt niet alle wonden, ontdekte hij, de tijd scheurt wonden open, zorgt voor vergiftigingen en ontstekingen. De dood maakt misschien een einde aan alle pijn, de tijd laat dat na.

O ja, ook Tirza heeft een weblog. Heerlijk, die mengeling van literaire fictie en virtuele realiteit! Haar linklijst is bijzonder inspirerend, iets té voor een meisje van achttien eigenlijk, maar laten we niet vitten. Snuister bij voorbeeld eens in het mooie Cellojaren.